Voorrang op de motor: de regels en de drie klassieke instinkers
Voorrang is samen met Gebruik van de weg het zwaarste onderwerp van het examen. De hoofdregel is kort, maar de uitzonderingen en het verschil tussen voorrang verlenen en voor laten gaan leveren de meeste fouten op.
Gepubliceerd 26 augustus 2026 · 7 min lezen
De hoofdregel
“Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.”
Op gelijkwaardige kruispunten heeft rechts dus voorrang. Het maakt daarbij niet uit of dat een auto, een fiets of een motor is: het artikel spreekt over bestuurders.
Op die hoofdregel staan in hetzelfde artikel twee uitzonderingen:
- Kom je van een onverharde weg, dan verleen je voorrang aan bestuurders op een verharde weg.
- Een tram gaat voor, ook als hij van links komt.
Voorrang verlenen is iets anders dan voor laten gaan
Op het examen worden die twee vaak door elkaar gehaald, en dat is precies de bedoeling van de vraagsteller. Vraag jezelf af: kruisen we elkaar op een kruispunt, of ben ík degene die iets bijzonders doet?
Instinker 1: twee linksafslaanders
“Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan, voor laten gaan.”
Sla jij linksaf en komt er iemand tegemoet die rechtsaf slaat, dan gaat die ander eerst. Dat voelt vaak onlogisch omdat jij het kruispunt misschien eerder bereikte, maar de regel kijkt niet naar wie er eerder was.
Instinker 2: een gelijkwaardig kruispunt met drie partijen
Bij drie bestuurders tegelijk moet je de regel om de beurt toepassen in plaats van in één keer. Wie heeft er niemand aan zijn rechterkant? Die mag als eerste. Daarna schuift de vraag door naar de volgende.
Zit je op een kruispunt waar iedereen iemand rechts heeft, dan lost het verkeer dat op met oogcontact en een handgebaar; het examen vraagt daar dan ook niet naar.
Instinker 3: een zwaailicht zonder sirene
Een voorrangsvoertuig herken je aan de combinatie van optische én geluidssignalen. Rijdt er een voertuig met alleen een zwaailicht, dan is dat geen voorrangsvoertuig — dat is bijvoorbeeld een wegenwacht of een voertuig dat werkzaamheden aankondigt. Je hoeft dan geen voorrang te verlenen, maar je houdt er natuurlijk wel rekening mee.
Voetgangers die je altijd voor laat gaan
“Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met een of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.”
Let op de laatste woorden: 'alle personen die zich moeilijk voortbewegen'. Dat is dus niet alleen iemand met een witte stok, maar ook iemand met een rollator of krukken. En het geldt niet alleen op een zebrapad.
Borden die de voorrang regelen

B1

B3

B6

B7
Haaientanden op het wegdek hebben dezelfde betekenis als bord B6: je verleent voorrang aan bestuurders op de kruisende weg. Dat staat in artikel 80 van het RVV. Staat er een stopstreep, dan moet je daar volgens artikel 79 daadwerkelijk stilstaan.
Veelgestelde vragen
- Wie heeft er voorrang op een gelijkwaardig kruispunt?
- Verkeer van rechts. Uitzonderingen: wie van een onverharde weg komt verleent voorrang aan verkeer op een verharde weg, en een tram gaat altijd voor.
- Wie gaat eerst bij twee afslaande bestuurders?
- De rechtsafslaander. Wie linksaf slaat moet de tegemoetkomende bestuurder die rechtsaf slaat voor laten gaan, aldus artikel 18, tweede lid van het RVV 1990.
- Is een voertuig met alleen een zwaailicht een voorrangsvoertuig?
- Nee. Een voorrangsvoertuig gebruikt optische én geluidssignalen. Alleen een zwaailicht geeft geen voorrang.
- Wat is het verschil tussen voorrang verlenen en voor laten gaan?
- Voorrang verlenen gaat over kruisend verkeer op een kruispunt. Voor laten gaan gaat over jouw eigen manoeuvre, zoals afslaan of wegrijden.
Bronnen
- RVV 1990, artikelen 15, 18, 49, 79 en 80
- RVV 1990, bijlage 1
Regels veranderen. Twijfel je bij een examenvraag, raadpleeg dan de actuele tekst van het RVV 1990 op wetten.overheid.nl.
Zelf oefenen
Tien vragen en een compleet theoriefragment, zonder account.